Je eerste BASIC programma!

Home / Programmeren / Basic / Start

Zo nu kunnen we echt beginnen met je eerste programma. Ik ga ervanuit dat je de basis programmeer tutorials al hebt gelezen, en ze ook een beetje snapt. Snap je het niet helemaal, dan is dat geen ramp, we gaan er hier nog uitgebreidt op in.

Start de interpreter

Allereerst hebben we een programma nodig om onze codes in te kunnen gaan schrijven. Als je QBASIC al gedownload hebt in de vorige tutorial hoef je deze alleen maar op te starten. Vervolgens krijg je een scherm met een welkomsbericht. Druk hier op de Esc op je toetsenbord. In het scherm zie je bovenin een menubalk, daaronder een groot blauw leeg vak, en daaronder een kleiner vakje. In het grote vak moet je straks je programma schrijven.

Wat als je alleen een compiler hebt

Als je alleen een compiler hebt is het iets moeilijker. Je moet jouw programma dan in kladblok of een soortgelijk programma maken: Een tekstverwerker dus. Nadat je het programma af hebt sla je het bestand op als een .bas bestand, bijvoorbeeld test.bas. Vervolgens moet je je compiler opstarten, en het juiste bestand invoeren. Als het goed is komt er dan in dezelfde map, of de map van de compiler een nieuw programma, jouw eerste programma! Hoe dat precies gaat leg ik zo uit.

Aan de slag!

Dan is het nu tijd om aan de slag te gaan. In QBASIC (of in je tekstverwerker) begin je met het eerste commando. We beginnen met het scherm leeg te maken, en een regel tekst op het scherm te zetten. Voer het volgende in:

CLS
PRINT "Hallo, deze tekst staat op het scherm"
END

Nu is je eerste (erg simpele) programmacode klaar. Even een uitleg: CLS is het commando dat ervoor zorgt dat het scherm leeg wordt gemaakt, vervolgens zorgt PRINT "Hallo, deze tekst staat op het scherm" dat er tekst op het scherm komt. Als laatste geeft END aan dat het programma afgelopen is. Nu moeten we het nog uitvoeren. Als je dat in QBASIC doet moet je klikken op het menu Run -> Start.

Als je met een tekstverwerker werkt moet je het bestand eerst opslaan als .bas in een map die makkelijk te typen is, bijvoorbeeld C:\test.bas (of in Linux /home/gebruiker ofzo). Vervolgens start je in Windows het programma door op het icoontje FreeBASIC te drukken, en vervolgens "fbc -lang qb C:\test.bas" in te typen (wel zonder aanhalingstekens!). In Linux voer je in de commando regel "fbc -lang qb /home/gebruiker/test.bas" in (ook zonder aanhalingstekens). In beide gevallen zal op de plek waar test.bas staat, nu ook het programma test.exe zijn gevormd. Voer dit programma uit om het resultaat te zien.

De uitleg hierboven was vrij omslachtig. Daarom leg ik het maar een keer uit. Mocht je het zijn vergeten, kijk dan nog een keer hoe het ook alweer ging.

Misschien valt je op dat die aanhalingstekens die je bij de PRINT opdracht typte helemaal niet op het scherm komen. Dat komt omdat die aanhalingstekens eigenlijk een onderdeel van het commando zijn. Met de aanhalingstekens geef je namelijk aan dat het om tekst gaat, en niet om getallen. Vergeet je die aanhalingstekens, dan krijg je geen tekst op het scherm, maar een getal, meestal nul.

De gebruiker iets in laten voeren

Zo, de eerste stap is gezet. Het is alleen niet echt heel leuk om alleen iets op het scherm te zetten. Daarom gaan we nu de gebruiker vragen zijn naam in te typen. Vervolgens zeggen wij dat dat een hele mooie naam is. Je krijgt dan dit:

CLS
INPUT "He daar, voer je naam eens in! ", b$
PRINT "Voerde jij "; b$; " in? Wat een mooie naam!"
END

Even een uitleg: Met CLS wordt het scherm weer schoongemaakt. Vervolgens zorgt het commando INPUT ervoor dat "He daar, voer je naam eens in! " op het scherm wordt gezet, en dat wat de gebruiker invoert komt in de varibele b$ terecht.

Een variabele? Wat was dat ook alweer? Zoals was uitgelegd in de basistutorials is een variabele een klein stukje geheugen waarin gegevens worden opgeslagen. In dit geval wordt er in de variabele b$ dat wat de gebruiker invoert opgeslagen. De naam b$ heb ik zomaar gekozen, maar je kunt elke naam kiezen, zolang er maar een $ achterstaat. Waarom die $ bespreken we zo. Je zou dus ook in plaats van b$ de variabele naam$ hebben kunnen gebruikt, dat maakt niets uit. Een variabele heeft alleen een naam zodat jij hem in het programma ergens op kan slaan en aan kan roepen.

Dan zie je de funtie PRINT, die de tekst "Voerde jij " op het scherm zet, vervolgens de inhoud van de variabele b$ op het scherm zet, en ook nog " in? Wat een mooie naam!" op het scherm zet. Als de gebruiker dus Piet in had gevoerd zou er "Voerde jij Piet in? Wat een mooie naam!" op het scherm komen. Als laatste staat er weer END, die het programma afsluit.

En die puntkomma's dan? Met die puntkomma's geef jij aan de computer door dat hij deze drie stukjes achter elkaar moet zetten. Zet je die er niet tussen, dan geeft hij een foutmelding, want dan weet hij niet wat hij ermee moet doen. Als je met QBASIC werkt zal je het niet merken dat er iets fout is al je de puntkomma's vergeet, hij zet ze er vanzelf tussen. Toch kun je ze maar beter niet vergeten, anders krijg je straks iets anders dan wat je wilde!

We zijn erdoorheen...

Deze tutorial is klaar. Hopelijk snap je het een beetje! Mocht je het niet snappen, lees het dan nog een keer door, of vraag om meer uitleg op het forum over wat je niet snapte. Mocht je het helemaal snappen, dan kun je verder naar de volgende tutorial >>